Leven

Sleur

Elke ochtend deze vraag:
“Wat ga ik doen vandaag?”
Dan klinkt m’n lijflied:
“Ik weet het niet.”
Morgen ben ik weer hier.
Drink zonder veel plezier
zwarte koffie met melk
naast ’n witte aronskelk.
Dezelfde plaats, hetzelfde uur.
Een leven zonder vuur.

Leven

Wie?

Wie ziet er wat ik zie
en kijkt er met mijn ogen
als ik alleen maar staren kan?
Wie spreekt er zoals ik spreek
en praat er met mijn mond
als ik alleen maar zwijgen kan?
Wie hoopt er zoals ik hoop
en denkt er met mijn hoofd
als ik niet dromen kan?
Wie is er zoals ik ben
en leeft er zoals ik leef
als ik voorbij het einde ben?
Wie o wie?

Leven

Vluchteling

De vallende bladeren, de koele wind,
het verre geluid van ‘n spelend kind.
Ze halen mij terug uit ’t verleden
en brengen mij naar het heden.
Ik vluchtte als radeloze emigrant
naar mijn eigen oude land.
Lang voor m’n innerlijke strijd
was het alle dagen speeltijd.
Een deel van mij bleef daar.
Valt het leven mij zwaar,
dan droom ik weg uit het heden
en ga ik terug naar het verleden.

Leven

Luchtgitaar

Voor het eerst zie ik je weer.
Op vier wielen.
Zij duwt je voort
en jij zit daar jong te wezen.
Of je doet alsof.

Bibberende benen
en je speelt luchtgitaar
met je rechterhand.
Je schaamt je soms,
want de akkoorden
kloppen niet.
Je woorden en je mond
praten alles weg.
Je ogen spreken de taal
van een diep verdriet.

De pijn, zeg je, gaat niet weg.
De angst, zeg je, is er altijd.
De twijfel, zeg je, vreet aan mij.

De toekomst?
Ik leef in het nu.
Er is nog zoveel
om nu van te genieten,
zeg je.
Nu, vandaag…

Leven

De fietser

De fietser baant zich een weg
door nevel en door regen.
Gebogen over het stuur
ook al is het buiten zo guur.
Altijd op weg naar ergens.
Nimmer stopt zijn rit.
Hij doorklieft muren van mist
die het leven soms is.

Beukend tegen storm en wind
verslaat hij woeste orkanen.
Nergens houdt hij halt.
Hij houdt de wielen draaiend.
Altijd verder weg van
waar hij vertrok.
Dat is zijn lot.

Fietsend baant hij zich een weg
door nevel en door regen.
Ergens aan de kant van de weg
– ver hier vandaan –
brandt het vuur dat hem verwarmen zal.

Maar eerst…
eerst baant hij zich een weg
door nevel en door regen.

Leven

Dromen

Met mijn armen als vleugels
zweef ik over bergen en dalen.
Het groene land en de blauwe lucht
glijden voorbij als boten
op de golven van het meer.
Met mijn voeten als wielen
scheur ik door straten en door lanen.
De huizen en de bomen
flitsen links en rechts
als treinen van stad naar stad.
Met mijn lijf vol vinnen
duik ik in de diepte van de zee.
De haai, de potvis en makreel
zijn mijn beste vrienden
tussen de algen en het wier.

Wat een leuk leven is het hier.

Leven

Avondland

Zigeunerviolen over
het Avondland.
Traag en droef.
Geen mens hoort ze.

Alleen ik.

En ‘k droom
over hoe mooi
alles was.

Het ochtendgloren
in een rijpend voorjaar.
De trage witte wolken.
De zon gaat nooit onder
en dan dagenlang
spelen in het bos.

Nog geen vijftig
en toch hoor ‘k
zigeunerviolen over
mijn Avondland.
Geen mens hoort ze.

Alleen ik.

Nieuwe dromen zijn gekomen.
Daarom klinken die violen
niet altijd traag en droef.
Ze laten me weten
hoe mooi alles wordt…
en wat voorbij is

Leven

Luie zondagmiddag

Alles is uitgewist.
Buiten reizen witte wolken,
maar die ziet ze niet.
’n Stem vertelt van vroeger.
Over vader, moeder
en de kinderen in de klas.
De grimas op het gezicht
is haar eigen glimlach.
Ja, over vroeger
weet ze nog alles,
zelfs de uren en minuten.

Zo is haar luie zondagmiddag.
Hetzelfde als alle dagen.

Leven

Wakker worden

Nog even waakt de nacht
over deze aarde en mijn leven.
Ik hoor het ritme
van mijn slapend ademhalen.
Het eerste geluid
van deze nieuwe dag.

De schimmen van mijn dromen
verlaten stilaan de kamer.
Aan de verre horizon
gloort het rode licht.
Mijn hemel krijgt weer kleur.
De wereld wordt weer wakker.

Urenlang sloot ik mij af van alles.
Onbewust de hele nacht door.
Zonder bewegen kom ik nu tot leven.
Word ik opgeslorpt
door de hitte van deze dag.
Dit wordt een mooie dag.

Een trein dendert ver weg
naar een plaats
waar ik nooit komen zal,
want hier, op deze plek, is alles goed.
Ik zet de deur wijd open
en een nieuwe dag rolt naar binnen.

Mijn hand rust op de tafel
tussen kruimels en vlekken.
Brood gegeten, koffie gemorst.
En ik denk luidop:
alles is hier goed.
Dit wordt een mooie dag.